Wetenschappelijk artikel verschenen over opbrengsttrends van Nederlandse voedergewassen

Nieuws

Wetenschappelijk artikel verschenen over opbrengsttrends van Nederlandse voedergewassen

Gepubliceerd op
28 mei 2020

In een recent verschenen wetenschappelijk artikel worden de opbrengsttrends van Nederlandse voedergewassen (snijmaïs en Engels raaigras) in de tijd beschreven. Het artikel gaat in op een onderzoek dat binnen de PPS Ruwvoer en Bodem is uitgevoerd.

Binnen het onderzoek zijn opbrengstgegevens van 40 jaar voor Engels raaigras en 25 jaar voor snijmais geanalyseerd uit Cultuur- en Gebruikswaarde Onderzoek (CGO) om genetische en een niet-genetische trends in opbrengsten in de tijd te bepalen. Voor maïs is jaarlijkse genetische trend berekend van +173 kg ds/ha en een niet-genetische trend van +65 kg ds/ha.

Nadere analyse van de niet-genetische trend toonde aan dat de maïsopbrengsten stegen met toenemende temperatuur tijdens het groeiseizoen en met eerder zaaien. De voedingswaarde van snijmaïs vertoonde een genetische trend van +1,7 VEM kg ds/jaar. De jaarlijkse genetische winst van Engels raaigras was +44 kg ds/ha.

In de grasproeven werden tegengestelde niet-genetische trends gevonden voor maaien en grazen. Nadere analyse van de niet-genetische trend toonde aan dat droogte en het aantal dagen met vorst tijdens het groeiseizoen een negatief effect hadden op de opbrengst.

Vergelijking gemiddelde opbrengsten

De gemiddelde opbrengsten en trends in CGO-onderzoek zijn vergeleken met die van de opbrengsten in de praktijk. De opbrengsten van maïs in de praktijk vertoonden een jaarlijkse trend van +195 kg ds/ha. De kloof tussen het genetische potentieel en de opbrengsten in de praktijk wordt groter. Gemiddeld over de gehele periode waren de opbrengsten van maïs in de praktijk 4,6 t ds/ha (24%) lager dan de opbrengsten van het CGO-onderzoek. De gemiddelde jaarlijkse grasopbrengsten in de praktijk vertoonden geen enkele trend en waren 1,6 t ds/ha (13%) lager dan de opbrengsten van het CGO-onderzoek.

Concluderend onthulde de studie significante positieve genetische en variërende niet-genetische trends in de ds-opbrengsten van snijmaïs en Engels raaigras. Opbrengsten in de praktijk vertoonden significante positieve trends voor snijmaïs, maar geen trend voor grasland.